Een muisje met een staartje

Gewapend met stoffer en blik, een lange houten stok en plastic handschoentjes betreed ik de frontlinie. Gisterenavond heb ik een muizenval op zolder geplaatst. Mijn vriendin had vreemde geluiden gehoord. Als echte man neem je dan direct maatregelen. ‘Geen zorgen’, zei ik vol bravoure en bestelde zes muizenvallen. Na me grondig te hebben verdiept in de eetgewoonten van het knaagdiertje, plaatste ik een klemmetje met een beetje pindakaas op onze zolder. Die muis zal weten met wie hij solt! En daar sta ik dan; oog in oog met een dode muis. Nou ja; muisje! Het kopje van het onfortuinlijke beestje zit in het klemmetje. Van mijn branie is weinig over. Angstvallig tik ik met de stok tegen het klemmetje. Nee, hij beweegt echt niet. Met de stok schuif ik het vastgeklemde muisje op het blik. Gelukkig ziet mijn vriendin me nu niet, denk ik nog. Buiten gooi ik de muis in de container. Met klem en al! Ik durf het beestje niet aan te raken. ‘En?‘, vraagt mijn vriendin. ‘Geen muis die dit huis nog durft te betreden’, zeg ik met geveinsde panache.   

Waar ben ik zo bang voor? Voor muizen? Nee, dat kan het niet zijn. Muizen heb ik vaker gezien. Nooit eerder was ik bang. Bovendien was dit beestje dood. Of is dat het misschien? De dood. Is een dood dier enger dan een levend exemplaar. Dat moet het zijn. Terugkijkend zie ik een patroon. Een dode vogel in de achtertuin, een overleden huisdier of, zoals een tijdje terug, een dode koe op een zorgboerderij. Altijd voel ik een vreemd soort onbehagen in de nabijheid van dode dieren. Angst voor dode wezens; ik heb het even gegoogeld. Necrofobie noemen ze dat. Blijkbaar hebben meer mensen dat.  

Rick, Michonne, Daryl en zombies. Aan de buis gekluisterd bingewatch ik seizoen 9 van ‘The Walking Dead’. Heerlijk! Vanaf de eerste minuut van seizoen één was ik verkocht. Een wereldwijde pandemie, een klein groepje overlevende en doorlopende angst. Het verhaal bevat alle ingrediënten van het klassieke zombieverhaal. Mijn vriendin begrijpt er niets van. ‘Zombies, wat is daar nu leuk aan’. Dat kan toch nooit’, ik hoor het haar nog zeggen. Toch is het juist het realisme dat het genre zo boeiend maakt. Niet de zombies zelf natuurlijk. Nee, dat wat zij vertegenwoordigen. De angst voor onzichtbare virussen en ziekten. De angst voor de dood. Of beter, de angst voor het grote onbekende. In feite is de zombie-apocalyps niet meer dan een visualisering van onze meest fundamentele angst. Het verklaart direct het succes van de zombie. De echte dood is immers, langzaam maar zeker, uit het straatbeeld verdwenen. Mensen sterven heimelijk in bejaardencentra en ziekenhuizen. Huisdieren worden uit hun lijden verlost in een dierenkliniek. En koeien, kippen en varkens worden geslacht in slachthuizen. Ver weg en uit het zicht. De dood is verbannen uit ons zicht. We weten niet langer hoe de dood eruitziet. De dood is onzichtbaar geworden.   

Op zolder staarde ik de dood ineens in de (muizen)ogen. Een vreemde en beangstigende gewaarwording. En nee, niet omdat ik dacht het muisje ineens uit de dood zou herrijzen. Ik werd simpelweg geconfronteerd met een weggemoffeld onderdeel van het leven. De dood blijft echter onlosmakelijk met het leven verbonden; of we nu willen of niet. Misschien moeten we het daarom minder verbergen. Het weer gaan accepteren als onderdeel van het leven en het de zichtbare plek geven die het verdient. Dat komt overigens niet alleen mijn mannelijkheid ten goede bij een volgende muizenplaag. Het is ook dé oplossing, uit onverwachte hoek, voor een heel ander maatschappelijk probleem. Het stikstofprobleem. Stelt u zich een meer zichtbaar levenseinde van al die miljoenen kippen, varkens en koeien eens voor. Wedden dat die veestapel binnen no-time gehalveerd is. 

Over de auteur

Hugo Trentelman

Reageer

door Hugo Trentelman

Hugo Trentelman

Get in touch

Quickly communicate covalent niche markets for maintainable sources. Collaboratively harness resource sucking experiences whereas cost effective meta-services.